Bij Marco Pesiwarissa zie je al snel dat hij zelden over voetbal praat alsof het alleen maar om negentig minuten gaat. Voetbal is voor hem een manier van leven, verbinden en mensen beter te maken in het spel en in verrijking. Dat geldt voor de spelers die hij traint, voor de club waarvoor hij zich inzet en voor de gemeenschap waarin hij al decennia zijn plek heeft gevonden.
Van Oost-Souburg naar Groningen
De stap van Zeeland naar het noorden voelde groot, ook in beleving. Groningen was ineens een stad, met een tempo en omvang die hij niet gewend was. “Wij woonden in Zeeland in een heel klein dorpje, Oost-Souburg. Dat is een heel klein dorpje tussen Vlissingen en Middelburg. Mijn moeder heeft haar broers en zussen daar allemaal wonen. Dus het was voor ons al wel een hele grote stap naar een grote stad. Ik weet nog dat we hier voor het eerst een huis gingen bekijken en dat ik dacht: dit is wel heel groot allemaal.”
Die nieuwe omgeving vroeg om nieuwe verbindingen. Marco vond die, bijna vanzelfsprekend, in het voetbal. “Ik heb me toen gelijk aangemeld bij een voetbalvereniging. Zo kon ik wat meer contacten maken, en zo is het eigenlijk ook een beetje begonnen. In 2007 is mijn vader overleden. Mijn moeder is teruggegaan naar Zeeland met mijn zus en mijn jongere zusje. In die tussentijd leer je je vrouw kennen, je krijgt kinderen, je koopt een huis en je krijgt een baan. Mijn broertje en ik zijn met z’n tweeën hier in de provincie Groningen gebleven.”
Voetbal als grote passie
De passie voor voetbal ontstond op pleintjes en veldjes. Daar begon het voor Marco al spelenderwijs met competitie en fantasie. “Die passie is ontstaan toen ik in Zeeland woonde. We hadden een vriendengroep en we voetbalden altijd op pleintjes en veldjes. Ik was de coach van het ene team en hij van het andere team. Zo maakten we er een competitie van. Ik maakte toen al shirtjes voor mijn eigen team. Dat ging nog met merkstift: op witte shirtjes schrijven. Alles ging in wedstrijdvorm.”
Marco’s grote voorbeeld was Simon Tahamata. Later kreeg zijn bewondering een bijzondere werkelijkheid, toen hij zelf werd geselecteerd voor het Molukse elftal. “Ik had altijd Simon Tahamata als mijn grote voorbeeld. Toen ik hier in Groningen kwam, ben ik ook twee jaar geselecteerd geweest voor het Molukse elftal. Toen mocht ik zowaar met mijn idool voetballen; met Simon Tahamata, met Giovanni van Bronckhorst en met Denny Landzaat. Dat vond ik echt een hele eer. We speelden benefietwedstrijden voor de Molukken, want er was toen onrust destijds.”
Plezier als basis, resultaat als beloning
Plezier is het fundament, ook als er fanatiek wordt gestreden. “Het interesseerde mij om het spelletje over te brengen wat je zelf als voetballer hebt meegemaakt. Allereerst bij de jeugd. Ik heb echt de jongste jeugd getraind, ook de meiden en dames. Het belangrijkste in het voetbal vind ik plezier hebben in het spelletje. Uiteindelijk wil je ook resultaten halen. Dat was mijn drijfveer. Ik wil altijd wel winnen. Of het nou met een spelletje thuis is, waar ik nooit tegen mijn verlies kan. Of op een wedstrijd.”
Die periode bij het Molukse elftal was voor Marco een intense kennismaking met een andere voetbalwereld. “Ik was samen met nog een jongen de enige twee amateurs. De rest waren allemaal betaald voetbalspelers. Dan zit je echt in de kleedkamer tussen al die grote jongens. We speelden benefietwedstrijden en we kregen vergoedingen in een envelop. Voor die jongens was dat: laat maar. Ik was student en ik dacht: die 300 gulden kan ik wel goed gebruiken. Ik weet ook nog dat we tegen NEC speelden in Nijmegen. Mijn ouders gingen mee, want ik had toen nog geen rijbewijs. Mijn zusje ging mee. Je stelt je voor aan spelers die je normaal van televisie ziet. Vervolgens zit je in de kleedkamer en je krijgt te horen: je staat in de spits. Je loopt het veld op, je doet de warming-up. Er zitten een paar duizend Molukkers in het stadion. Vervolgens wordt het volkslied gespeeld. Dan gaan de rillingen over je lijf. Dan denk je: ‘jeetje, wat een trots dat je voor zo’n nationaal team uit mag komen.’”
De cirkel werd nog mooier door een onverwachte link met zijn vader. “Mijn vader was predikant. Hij heeft ooit de vrouw van Simon Tahamata gedoopt. Na die wedstrijd zaten we in de spelersruimte en Tahamata zei: jij hebt zo’n bekende achternaam. Ik vertelde over mijn vader. Samen met mijn grote idool zat ik met mijn ouders met hem te praten. Dat was een geweldige ervaring.”
Dertig jaar Helpman en acht jaar Corenos
Marco’s trainerschap begon niet met een groot plan, maar met een stageplek. Vervolgens bleef hij, omdat het klopte. “Ik moest een stageadres hebben voor mijn opleiding. Ik deed sportieve en recreatieve activiteiten. Je moest stagelopen bij een voetbalclub. Mijn toenmalige club GRC Groningen had geen jeugd. Via mijn broertje ben ik bij V.V. Helpman terechtgekomen. Eigenlijk ben ik nooit weggeweest. Ik ben nog steeds lid, ik voetbal daar nog in een veteranenteam. Daar heb ik de eerste stappen van het trainerschap geleerd. Ik heb diverse voetbalcursussen gevolgd. Ik heb zelf daar ook in het eerste gespeeld. Ik heb de jongste jeugd getraind, de meiden, de dames, het tweede elftal, het eerste elftal. Dat allemaal in al die dertig jaar.”
Naast Helpman is er Corenos, waar hij inmiddels al jaren actief is als hoofdtrainer. Hij wordt omschreven als een gedreven trainer en een fijn mens, al voor het achtste seizoen bij de club. “Bij de club waar ik nu zit, Corenos dus, zit ik nu ook al acht jaar. Ik ben redelijk honkvast. Ik ben ook echt een familiemens. Als ik het ergens naar mijn zin heb, dan ben ik niet zo gauw weg te krijgen. Zolang je het plezier nog ziet bij die jongens, zolang het respect er nog is, zolang jongens je nog serieus nemen, dan is er geen reden om te zeggen: ik ga naar een andere club. De prestaties en resultaten zijn goed. We zijn in vier jaar tijd van de vijfde klasse naar de derde klasse gepromoveerd. Ook daar zie je constant weer de ontwikkeling: spelers beter maken in combinatie met plezier. Als je dat terugkrijgt van die jongens, is dat een mooie beloning.”
Marco ziet zichzelf niet als iemand die alleen de opstelling maakt en de training leidt. Hij voelt zich verantwoordelijk voor het geheel. “Ik ben niet zomaar een voetbaltrainer. Ik ben niet alleen afhankelijk van de eerste helft. Ik voel me verantwoordelijk voor die hele club. Wat we hebben ingezet in de afgelopen acht jaar is die club weer op de kaart brengen. Zowel met prestaties als daarbuiten: hoe wij ons uitdragen als club. We hebben bijvoorbeeld de hele club in nieuwe kleding gestoken. Er moest in één keer 40.000 euro op tafel komen. Binnen een aantal weken werd 40.000 euro binnengehaald. In de coronaperiode, toen we niet mochten trainen, gingen we met de hele groep om half zes ’s ochtends trainen. Er is nu veel meer stabiliteit binnen de club. Het is echt een familieclub waar iedereen voor elkaar hard werkt en zich wil inzetten. Er zijn weinig spelers die naar andere clubs vertrekken. Het is een hechte groep spelers die je al jarenlang kent. Zij kennen mij door en door, en andersom ken ik ze ook hartstikke goed.”
Bijzondere momenten
Sommige wedstrijden blijven als een foto in je hoofd zitten. Voor Marco is dat onder meer de promotie met Corenos, juist door de schaal van de club. “Wij zijn vorig jaar gepromoveerd. Voor een club met 250 leden in een dorp van 1100 inwoners is dat best wel een wereldprestatie. We zitten nu tussen vijf stadse clubs. Groningen heeft ongeveer 250.000 inwoners. Die andere clubs zijn zoveel groter dan wij, en dan sta je er in één keer tussen. Wij speelden een finalewedstrijd voor de nacompetitie tegen een Turkse club. Die waren echt goed. Als wij met 6-0 hadden verloren, was het ook terecht geweest, maar dan win je die wedstrijd zowaar. Dat zijn momenten die je heel lang bijblijven, als sporter en als trainer.”
Marco vergelijkt trouw aan een club met trouw aan een relatie. In een voetbalwereld waar trainers vaak snel wisselen, kiest hij voor bouwen. “Ik merk een verschil tussen een stadsclub en een dorpsclub. In de stad heb je meer groepjes mensen, en jongere spelers kunnen moeilijker omgaan met teleurstellingen. In het dorp zie je echt saamhorigheid. Overal in het voetbal zie je dat trainers twee, drie jaar blijven. Mensen vragen mij weleens of ik de tien jaar ook vol maak? Het moment dat ik wil bereiken is dat er een stevig fundament is bij die club. Dat als ik ooit wegga, zij verder kunnen. Dat de club niet in elkaar zakt, dat ze niet degraderen, dat mensen niet stoppen. Ik wil daar echt iets neerzetten. Waarbij zij zeggen: dat heeft Marco voor elkaar gekregen in de afgelopen jaren. Daar gaan wij op verder bouwen.”
De droom is groter dan het eerste elftal. Hij wil dat kinderen uit de omgeving Corenos zien als een plek waar je leert en groeit. “We zijn een hele kleine club. Ik hoop echt dat omliggende dorpen denken: als ik mijn zoon of dochter daar naartoe breng bij de jeugd, dan leren ze wat. Dan staat daar een fundament om mijn kind met plezier te laten ontwikkelen. Dat zou voor mij het mooiste zijn.”
Reactie plaatsen
Reacties